Terug

Blind investeren in handelsbot kost ondernemer aftrek

9 juli 2026
Inkomstenbelasting

Een ondernemer investeert ruim € 60.000 in een handelsbot die maandelijks 10 tot 20% rendement zou opleveren. De bot blijkt niet te bestaan en de aanbieder wordt veroordeeld voor oplichting. De ondernemer wil zijn verlies aftrekken als ondernemingskosten, maar het hof oordeelt dat de investering geen bron van inkomen vormt. Een objectieve voordeelsverwachting ontbreekt, omdat de ondernemer nooit inzicht kreeg in de werking van de bot.

Van evenementen naar crypto

De ondernemer drijft een eenmanszaak die cursussen en evenementen over coaching en persoonlijke ontwikkeling organiseert. Via zijn zakelijke netwerk leert hij iemand kennen die beweert een handelsbot te hebben ontwikkeld waarmee geautomatiseerd in cryptocurrency wordt gehandeld. De aanbieder presenteert zijn product op een van de evenementen van de ondernemer en maakt een professionele indruk. Hij toont schermafbeeldingen waaruit blijkt dat de bot stabiel rendeert. De ondernemer, die zelf een opleiding tot blockchain-professional heeft gevolgd, raakt geïnteresseerd. Hij begint met een investering van duizend euro en ziet via een app dat zijn inleg in zeven maanden verdrievoudigt. Hij besluit meer te investeren en maakt uiteindelijk ruim zestigduizend euro over.

Oplichting aan het licht

Als de ondernemer zijn geld wil opnemen, komt de aanbieder met smoesjes. De ondernemer doet aangifte van oplichting. Uit het strafrechtelijk onderzoek blijkt dat de handelsbot nooit heeft bestaan. De schermafbeeldingen waren gefingeerd. De aanbieder wordt veroordeeld voor oplichting van 65 slachtoffers. De ondernemer dient vervolgens een herziene aangifte inkomstenbelasting in, waarin hij het verlies als ondernemingskosten opvoert. De inspecteur weigert de aftrek.

Geen objectieve voordeelsverwachting

Voor het hof staat de vraag centraal of de investering in de handelsbot een bron van inkomen vormt. Dat vereist deelname aan het economisch verkeer, het subjectief beogen van voordeel en een objectieve voordeelsverwachting. De eerste twee voorwaarden zijn niet in geschil. De derde wel. De ondernemer betoogt dat hij redelijkerwijs voordeel mocht verwachten omdat de aanbieder overtuigend overkwam, resultaten toonde en 65 anderen eveneens heeft opgelicht. Het hof verwerpt dit betoog. Doorslaggevend is dat de ondernemer, ondanks herhaalde verzoeken, nooit inzicht heeft gekregen in de werking van de bot. De ongefundeerde beweringen van de aanbieder, hoe overtuigend die subjectief ook waren, maken niet dat naar objectieve maatstaven een geldelijk voordeel redelijkerwijs kon worden verwacht.

Geen verband met onderneming

De ondernemer stelt subsidiair dat het verlies verband houdt met zijn bestaande onderneming. Hij wilde via de investering kennis opdoen om cursussen over cryptohandel te kunnen ontwikkelen. Ook dit argument verwerpt het hof. De ondernemer heeft niet aannemelijk gemaakt dat de investering diende om cursussen te ontwikkelen. Evenmin heeft hij onderbouwd dat hij met ondernemingsvermogen heeft geïnvesteerd. Het verlies is niet aftrekbaar in box 1.

Bronvermelding

  • datum: 9 juli 2026
  • bureau: Gerechtshof Den Haag
  • karakter: jurisprudentie
  • nummer: ECLI:NL:GHDHA:2026:1598

Misschien ook intressant

Inkomstenbelasting
Ook de Wet rechtsherstel box 3 is discriminerend
De Hoge Raad heeft arrest gewezen in een aantal zaken over de belastingheffing in box 3 na de invoering van de Wet rechtsherstel box 3 (Herstelwet). Deze wet is ingevoerd na het geruchtmakende Kerstarrest van de Hoge Raad. In dat arrest heeft de Hoge
Inkomstenbelasting
Geen cassatie tegen hofuitspraak over invloed vrijgesteld inkomen op ouderenkorting
De staatssecretaris van Financiƫn ziet af van het instellen van beroep in cassatie tegen een uitspraak van Hof Den Haag over de inkomensgrens voor de ouderenkorting. Volgens het hof mag bij het bepalen van het inkomen voor de toepassing van de
Formeel recht
Uitstel voor doen aangifte wel of niet verleend?
De bevoegdheid van de Belastingdienst om een aanslag inkomstenbelasting vast te stellen vervalt drie jaar na afloop van het jaar waarop de aanslag betrekking heeft. Als uitstel voor het doen van aangifte is verleend, wordt de driejaarstermijn met de