Terug

Prijsafspraak bij verkoop aandelen verhindert fiscale eenheid

5 februari 2026
Vennootschapsbelasting

Een bouwbedrijf investeert via een dochter-bv in een zeeschip en past willekeurige afschrijving toe. De moedermaatschappij voegt de dochter in de fiscale eenheid. Enkele jaren later blijkt dat bij de investering een participatieovereenkomst is gesloten met een prijsafspraak voor de latere verkoop van de aandelen. De inspecteur stelt dat hierdoor nooit een fiscale eenheid tot stand is gekomen. Bezit de moeder wel het economisch eigendom van de aandelen in haar dochter?

Structuur

Een bv staat aan het hoofd van een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. Een gevoegde dochtermaatschappij exploiteert een bouwbedrijf. Deze dochter richt samen met een scheepvaartonderneming een nieuwe vennootschap op om te investeren in een zeeschip. De nieuwe vennootschap treedt als commanditaire vennoot toe tot een cv die het schip exploiteert. De moedermaatschappij verzoekt om voeging van de nieuwe vennootschap in de fiscale eenheid. De inspecteur geeft een beschikking af met ingangsdatum 29 september 2011. Via de fiscale eenheid brengt de moeder de willekeurige afschrijving op het schip en de exploitatieverliezen in aftrek.

Participatieovereenkomst

Na de oprichting sluiten de partijen een participatieovereenkomst. Daarin krijgt de moeder het recht om na drie jaar de aandelen aan de scheepvaartonderneming aan te bieden. De koopprijs wordt berekend volgens een bijgevoegd rekenmodel. Dit model werkt opmerkelijk: bij een hogere taxatiewaarde van het schip daalt de koopprijs voor de aandelen. Een tegengestelde verandering in de waardering van de belastinglatentie matigt namelijk de waardeverandering van het schip. De inspecteur ontdekt de participatieovereenkomst pas tijdens een derdenonderzoek bij de scheepvaartonderneming in 2014.

Economisch eigendom ontbreekt

De inspecteur legt navorderingsaanslagen op. Het gerechtshof oordeelt dat de moeder door de prijsafspraak slechts een beperkt risico van waardeverandering draagt. De moeder bezit daarom niet het economisch eigendom van ten minste 95% van de aandelen. De fiscale eenheid is dus nooit tot stand gekomen. Het gerechtshof verwerpt ook het beroep op het vertrouwensbeginsel. De moeder verstrekt bij het voegingsverzoek onjuiste informatie over het economisch eigendom. Zij had redelijkerwijs moeten weten dat de inspecteur daardoor het verzoek niet goed kon beoordelen.

Bronvermelding

  • datum: 5 februari 2026
  • bureau: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
  • karakter: jurisprudentie
  • nummer: ECLI:NL:GHARL:2025:7779

Misschien ook intressant

Omzetbelasting
Geen rente bij eigen fout
Een bv draagt jarenlang Nederlandse btw af voor afstandsverkopen aan Belgische particulieren. Achteraf blijkt dat de omzetdrempel voor afstandsverkopen is overschreden, waardoor de btw in België verschuldigd is. De Belgische Belastingdienst legt
Invordering
Geldstromen naar privé leiden tot aansprakelijkheid bestuurder
Een bestuurder van een transportbedrijf wordt aansprakelijk gesteld voor bijna € 730.000 aan onbetaalde loonheffing en omzetbelasting. Hij stelt dat hij tijdig melding van betalingsonmacht heeft gedaan. De rechtbank oordeelt echter dat dit niet
Inkomstenbelasting
Compromis over box 3 blijft staan
Tijdens een rechtszaak komt een man met de inspecteur overeen dat zijn werkelijk rendement in box 3 € 855 bedraagt. Enkele maanden later oordeelt de Hoge Raad dat bij de vaststelling van het werkelijk rendement geen rekening mag worden gehouden