Terug

Vinden droomwoning geen excuus

16 april 2026
Overdrachtsbelasting

Een echtpaar koopt een woning. Om aanspraak te maken op het verlaagde tarief van de overdrachtsbelasting verklaren zij de woning als hoofdverblijf te zullen gebruiken. Nog voor de levering van deze woning vinden zij echter hun droomwoning. Pas na de levering van de eerste woning wordt de financiering van de droomwoning goedgekeurd. Het echtpaar stelt dat het vinden van hun droomwoning en de financieringsmoeilijkheden onvoorziene omstandigheden zijn. Als de financiering niet was gelukt, hadden ze de eerste woning als hoofdverblijf in gebruik genomen. 

Omdat de eerste woning nooit werd bewoond, legt de inspecteur naheffingsaanslagen op. De wetsgeschiedenis noemt voorbeelden als overlijden, echtscheiding, baanverlies en het aanvaarden van een baan in een andere regio of emigratie, die redelijkerwijs het niet-bewonen van de woning als hoofdverblijf kunnen rechtvaardigen. Het hof oordeelt dat het verkrijgen van de droomwoning niet als zodanige onvoorziene omstandigheden geldt. Het verlaagde tarief van 2% is daarom niet van toepassing. De naheffingsaanslagen zijn terecht opgelegd.

Bronvermelding

  • datum: 16 april 2026
  • bureau: Gerechtshof 's-Hertogenbosch
  • karakter: jurisprudentie
  • nummer: ECLI:NL:GHSHE:2026:181

Misschien ook intressant

Inkomstenbelasting
Zwartspaarder wint slag, maar verliest oorlog
Een man meldt zich bij de Belastingdienst met verzwegen Zwitserse bankrekeningen. Wat hij verzwijgt: hij heeft ook rekeningen in Luxemburg, op naam van plankvennootschappen. De inspecteur ontdekt dit alsnog en belast het vermogen in box 3. De
Algemeen
AI als juridisch adviseur: rechter niet onder de indruk
Een man krijgt een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd. Hij maakt bezwaar en gaat vervolgens in beroep. Hij verwijst naar een uitspraak die niet bestaat en hamert op een verkeerde straatnaam in de aanslag. De rechtbank vermoedt dat de man
Inkomstenbelasting
Recht op alle voordelen uit aandelen is aanmerkelijk belang
Een man verstrekt via een fonds een lening waarmee aandelen worden gekocht. Alle opbrengsten uit die aandelen komen aan hem toe. Op een deel van de vordering rust een optie. De man meent dat hij daardoor geen aanmerkelijk belang meer heeft. Het hof